Openingswoord bij de expositie ‘Stempels en Brede Streken’ 

Bergkerk Amersfoort – 14 mei 2017 door Lex van de Haterd

Beste mensen,

De vraag die ik mij zelf voor deze opening stelde, was: doet het er iets toe in welke omgeving een kunstwerk te zien is? Maakt het iets uit of het in een museum staat of hangt, in een huiskamer of in een kerk? Kan de omgeving waarin het kunstwerk zich bevindt, de betekenis ervan beïnvloeden of zelfs veranderen?  

In eerste instantie ben ik geneigd deze vraag ontkennend te beantwoorden. De kunstenaar maakt het werk in zijn atelier, hij maakt het vanuit zijn eigen inspiratie, vanuit zijn eigen ervaringen, gevoelens en opvattingen. Meestal weet hij helemaal niet waar het komt te hangen; tenzij het een opdracht is, doet het er voor hem ook niet toe. Vanuit de maker, de kunstenaar, geredeneerd maakt het niets uit in welke omgeving het werk hangt.

Maar laten we dezelfde vraag nu eens proberen te beantwoorden vanuit het perspectief van de beschouwer van het werk, de kijker. Maakt het iets uit op welke plek je naar een kunstwerk kijkt?

Ja, zeg ik dan onmiddellijk en ik wil dat antwoord graag illustreren aan de hand van de plekken waar ik het werk van Bob Kovel in de afgelopen tijd gezien heb.

Bijna twee maanden geleden zag ik dit nieuwe werk van Bob voor het eerst in zijn atelier. Ik zag de vlakken boven elkaar, in verschillende kleuren, gescheiden door een brede, donkere band. De vlakken zijn in brede streken geschilderd met olieverf, laag over laag. De zwarte band is gestempeld. Bob maakt de stempels zelf. Hij snijdt figuurtjes uit hout, inkt de stempels in en stempelt erop los. Met kinderlijk plezier drukt hij zijn stempel honderden, duizenden keren op doek of op papier. Door de veelvuldige herhaling krijgt de band een pasteus karakter, er ontstaat reliëf en dat zorgt voor contrast met de schraal geschilderde olieverf van de gekleurde vlakken. Het is overigens niet altijd een brede band, op enkele werken zie je een cirkel of een ovaal, maar ook deze meetkundige figuren zijn aangebracht met dezelfde stempeltechniek.

 

Op het atelier zag ik in eerste instantie abstracte werken en ik was vooral geïnteresseerd in de techniek, in het maakproces. Daarover stelde ik Bob mijn eerste vragen. We raakten aan de praat, hij bood me een kop koffie aan en het atelier veranderde geleidelijk in een huiskamer. We hadden het over school en onderwijs. Ik ken Bob namelijk niet alleen als kunstenaar, maar ook als docent. Zo’n 15 jaar geleden heb ik hem zelf aan zijn eerste baan geholpen op mijn eigen school. Ik ging anders naar het werk kijken. Ineens koppelde ik de geometrische figuren van lijn, cirkel en ovaal ook aan zijn beroep, leraar wiskunde.

Ik kijk nog eens goed en zie dat de brede band een horizon wordt die lucht en land van elkaar scheidt of lucht en water. Ik denk ineens een landschap te zien. Zie ik daar in die cirkels nou bergen en wolken of lijkt dat maar zo? En daar in dat ovaal, zit daarin nou een mensfiguur? Ik krijg ineens allerlei figuratieve associaties.

En dan vandaag, vandaag zie ik de werken na acht weken opnieuw en nu hangen ze in een kerk. In het mooie licht van deze kerk vallen de kleuren me nog meer op dan in het atelier. Ik zie nu hoe rijk de kleuren zijn, het roze, het blauw en het geel van de grote vlakken. In de context van deze kerk krijgen de werken voor mij iets religieus, iets spiritueels. Ze verbinden zich tijdens de viering, die ik vanmorgen bijwoonde, met de woorden en de liederen. De dominee spreekt over God die hemel en aarde van elkaar scheidde. Hij spreekt over het verbond, de cirkels op de schilderijen worden tot symbolen van de verbinding en het ovaal wordt een aureool. Het past allemaal bij elkaar. De kunst voegt zich in het geheel van de liturgie, wordt onderdeel van de liturgie. Ze zijn er voor gemaakt.

Terug naar de kunstenaar. Wat zal hij er van vinden, van deze overwegingen van een beschouwer? De kunstenaar zwijgt, hij zegt niets. Hij is een God in zijn eigen atelier. Hij kijkt, hij kijkt nog een keer en hij ziet dat het goed is.